De Eiwitransitie

Een woord als 'eiwittransitie' is verzonnen door ambtenaren om de grauwe werkelijkheid wat te verbloemen. Waar het bij de eiwittransitie dus om gaat is het vervangen van dierlijke eiwitten door plantaardige eiwitten. Ze willen dus dat je minder vlees gaat eten.

Uiteraard hebben die ambtenaren het over het feit dat een veestapel niet ongebreideld uitgebreid kan worden, maar dat snapt iedere veehouder ook wel. Het lastige is dat een veehouder zijn werk doet met respect voor de natuur, terwijl een raamambtenaar een soort illusie over het landelijk gebied heeft die doet denken aan de wereld van Anton Pieck of de Russische propagandafilms uit het nog niet zo verre verleden.


Ons lichaam heeft eiwitten nodig. Eiwitten zijn complexe moleculen die door het lichaam worden ingezet als voedingsstof voor de cellen en zijn noodzakelijk voor de structuur, functie en regulatie van weefsels en organen.

Ik zal niet zeggen dat het eten van dierlijke eiwitten ongezond is, maar met het minder eten van vlees stuur je je dieet toch wel een beetje richting het zo gezonde Mediterrane dieet. In dat gebied is het lastig om vee te houden: het regent er niet genoeg, het gebied is bergachtig en de bodem is vaak niet vruchtbaar genoeg om voedzaam gras op te leveren. De dierlijke eiwitten van de bewoners van de Mediterrane kusten worden voornamelijk gehaald uit kippenvlees en vis. Omdat de mensen het aan de Middellandse Zee gemiddeld niet al te breed hebben, zijn de porties vlees klein. Vaak wordt dat vlees zelfs vervangen door bonen, een goede plantaardige leverancier van eiwitten.
De bevolking van ons land neemt nog steeds toe. Meer mensen eten meer voedsel, maar als al die mensen iets minder vlees gaan eten hoeven veehouders hun bedrijf niet extra uit te breiden. Dan wordt er bovendien niet meer nitraat uitgestoten dan voorheen.

Omgekeerd moeten akkerbouwers meer bonen gaan verbouwen. Die bonen hebben juist nitraat nodig om te groeien, want die nitraat is een onmisbare meststof. Akkerbouw zuigt dus uit de lucht neergeslagen nitraat uit de bodem.

Er is dus geen circulaire veeteelt of circulaire akkerbouw, maar het is een bijna gesloten systeem, waar de ene sector niet zonder de andere sector kan bestaan. Dat nitraatprobleem is een illusie.

Kolen zijn ontstaan in het Midden-Oosten

Een spruitje en een bloemkool lijken totaal niet op elkaar. Toch is het botanisch gezien dezelfde soort: Brassica oleracea. En op de kustrotsen van Engeland en Frankrijk groeit hun voorouder, de wilde kool. Toch zijn de koolsoorten die we nu eten, helemaal niet in Engeland of Frankrijk ontstaan, maar vierduizend kilometer verderop.

Guusje Bonnema, onderzoekster bij Wageningen University & Research is Brassica-specialist. “Het is fascinerend dat ze zo divers zijn. Bij tomaat heb je grote en kleine, maar je eet altijd de vrucht. Bij kolen eet je het blad (boerenkool, sluitkool), de stengel (koolrabi), de okselknoppen (spruitjes) of het bloemgestel (bloemkool, broccoli)[1]. Maar daarmee was nog niet de vraag beantwoord wáár dat is gebeurd.”

In een wetenschappelijk artikel beschrijft zij, samen met collega’s, de zoektocht[2]. “Die was alleen mogelijk omdat we erin geslaagd zijn ongekend veel rassen te verzamelen van alle cultuursoorten. Zowel moderne hybride rassen als oude landrassen uit genenbanken”, vertelt Bonnema.

De onderzoekers hebben DNA-fingerprints gemaakt (denk: barcodes) van al die koolsoorten en konden aan de hand daarvan inschatten hoe de verwantschap tussen de verschillende rassen in elkaar zit.

Er bleken twee stappen van domesticatie te zijn geweest. "Griekse en Romeinse schrijvers noemen deze groenten al vanaf 400 vChr. Ze benadrukken dat er verschillende soorten bestaan, allemaal bladgewassen - waarschijnlijk zoals boerenkool en palmkool - maar die noemen ze ook al kolen", vertelt ze.

Na de eerste domesticatiestap in West-Europa volgde de tweede stap in het Midden-Oosten. Uit het genetische onderzoek blijkt dat die oude boerenkoolachtigen uit West-Europa daarbij een rol speelden. 

Bonnema: “Het is zeer waarschijnlijk dat de handel in tin daarbij een grote rol gespeeld heeft. Tin werd gedolven in Cornwall en Galicië en al rond 2500 vChr per schip naar het Midden-Oosten verscheept. De schippers namen groenten mee voor onderweg, maar ook zaden.”

Zo kwamen de prille koolsoorten in het Midden-Oosten terecht. Het is waarschijnlijk dat vanuit die eerste bladgewassen zowel de sluitkolen als de bloemkolen zijn geselecteerd. Spontane kruisingen met andere wilde plaatselijke Brassica-soorten hebben daarbij wellicht een rol gespeeld. Die oude selecties ontwikkelden zich tot de moderne koolsoorten. "Onze huidige kolen komen dus allemaal daar vandaan", zegt ze.

Waarom is het belangrijk om dit te weten? "We zien dat de genetische variatie in de moderne hybride rassen niet zo groot is, terwijl de rassen uit de genenbanken veel diverser zijn. Als de veredelaar nieuwe gewaseigenschappen zoekt, kan hij dus het beste daar beginnen. In Turkije, Syrië en Libanon – dus het oorsprongsgebied van onze kolen – bestaan nog veel landrassen met grote diversiteit. Dat zijn landen met een warmer en droger klimaat. Om in te spelen op klimaatverandering heb je rassen nodig die op het veld beter bestand zijn tegen een hete zomer. Nu kun je gerichter zoeken waar je die eigenschappen vandaan kunt halen", verklaart Bonnema.

In de zijlijn van het onderzoek komen tal van interessante inzichten naar boven. Bijvoorbeeld over het rare geval bloemkool: in feite een bloemgestel dat geen bloemen meer maakt, maar wel doorgroeit.

"Voor die bijzondere vorm was een hele reeks mutaties nodig. Het was een soort genetische bottleneck waar de soort doorheen is gegaan. Gevolg is dat alle bloemkoolrassen sterk op elkaar lijken – er is heel weinig genetische variatie. Maar de genetische afstand tot andere koolsoorten is juist heel groot. Alle andere kolen verschillen zelfs minder van de wilde kool dan van bloemkool", zegt Bonnema.

[1] Bonnema et al: Diversity analysis and molecular taxonomy of Brassica vegetable crops in Genetics, genomics and breeding of crop Plants – 2011
[2] Cai et al: Evidence for two domestication lineages supporting a middle-eastern origin for Brassica oleracea crops from diversified kale populations in Horticulture Research – 2022. zie hier.


Bron.

Productie Marne Mosterd daalt 30% (door Oekraïne)

Marne Mosterd in Groningen heeft de productie van mosterd met 30% terug moeten brengen. Dat is een direct gevolg van de oorlog in de Oekraïne.
Het is jammer dat er in eigen lang niet meer voldoende mosterdplanten worden verbouwd. In 1960 werd nog slechts 180 hectare mosterdzaad ingezaaid. En die neergaande lijn zette zich daarna door. Alleen in het noorden van het land wordt, heel bescheiden, nog mosterdzaad geoogst.

Bij Marne is veel mosterdzaad nodig. Daarom importeert men mosterdzaad uit Canada en Oost-Europa. Vooral vanuit de Oekraïne wordt veel mosterdzaad geïmporteerd. Marne Mosterd levert zelf het zaaizaad voor de mosterdpitten aan Oekraïne. Als daar wordt geoogst komt de opbrengst terug naar Groningen, waar de mosterd wordt geproduceerd.

Sinds het uitbreken van de oorlog ligt de productie deels stil, zegt directeur Paul de Vries. “We waren net bezig met de pitten uit Oekraïne toen de oorlog uitbrak,” aldus De Vries. “We hadden wel wat voorraad, maart om tot oktober normaal te kunnen overleven, moesten we de productie deels stilleggen.” In het najaar komt de oogst uit Canada binnen.

De productiestop treft vooral de productie van mosterd voor de industrie en export. “De Nederlandse consument zal er niet zo veel van merken”, denkt De Vries. “Behalve dan dat de mosterd flink duurder zal worden.”

Die prijsstijging zal zich in het najaar voortzetten, verwacht De Vries. “In oktober komen de mosterdzaadjes uit Canada. Maar nu de productie in Oekraïne weg is gevallen, kun je je voorstellen dat iedereen in de markt zich op die Canadese pitten stort.”

Een bijzondere kool: Koolrabi

De koolrabi (Brassica oleracea gongylodes) heeft geen verdikte bovengrondse wortel, maar een verdikte steel die zo’n twee à zeven centimeter boven de grond ontstaat.
De ondersoortnaam, gongylodes, is afgeleid uit het Oudgrieks waar gongýlos (γογγύλος) 'rond' betekende en de verdikte steel beschrijft.

De naam 'koolrabi' is afkomstig van het Duitse, Kohlrabi, en is een samenstelling van Kohl ('kool') en Rübi (van het Latijnse radix 'wortel'). De voornamelijk Vlaamse benaming 'raapkool' is uit de gratie geraakt in verband met de mogelijke verwarring met de 'koolraap'.

Het is onduidelijk waar de koolrabi is ontstaan. Het grote probleem is dat de naam koolrabi eenvoudig verward kan worden met raapkool, een familielid.

De Italiaanse arts en botanicus Pietro Andrea Mattioli (1501-1578) vermeldde in zijn boekwerk 'Commentarii' (zijn commentaar in zes delen op het kruidenboek van Dioscorides) dat de groente recent was geïntroduceerd in Italië. Leonhart Rauwolf (1535-1596), een Duitse botanist, die in 1573 aan een reis door het Midden-Oosten begon, meldde dat hij koolrabi zag in de tuinen van Halepo (Aleppo) en Tripoli.

De Vlaamse arts en botanicus Mathias de l'Obel, ook bekend onder zijn meer interessant klinkende Latijnse naam Lobelius (1538-1616), was is de eerste die de koolrabi met tekening afbeeldt in zijn 'Kruydtboeck' (1581). Het heet Rape-Coole of in het potjeslatijn Caule rapum gerens. Rembert Dodoens gebruikt in zijn Cruydt-Boeck (1644) dezelfde afbeelding en noemt het “Raep-Koole, in ’t Latijn Rapaecaulis gheheeten oft Brassica caule Rapum gerens.” In tegenstelling tot de andere koolsoorten, zegt hij er niets meer over. Koolrabi is dus wél genoemd, maar nog onbekend. De Duitse botanist Jacobus Theodorus (1525-1590) noemde zich Tabernaemontanus ('bergherberg') en vermeldde caulorapum in zijn 'Das Ander Buch von Kräutern' (1664).

In zijn 'De L’Histoire Generale des Plantes' (1586-1587) meldt Jacques Daléchamps, een Franse arts en botanicus en filoloog, meldt 'Ze groeien in Italië, Spanje en sommige delen van Duitseland, vanwaar ik zaadjes voor mijn tuin gered hebt'.

Het duurde tot de 18e eeuw eer er sprake was van de nu bekende platronde koolrabi.
Theodorus Frederik Uilkens (1812-1891) onderscheidt in zijn 'Groot Warmoeziers Handboek' (1855) “drie hoofdverscheidenheden en wel de koolraap onder den grond (Brassica oleracea napobrassica), omdat het wortelachtige gedeelde niet boven de aarde uitkomt, en koolraap boven den grond (Brassica oleracea gongylodes), omdat de knol zich boven den grond vormt, welke knollen wederom verschillende kleuren hebben en de Zweedsche knollen of Rutabaga (Brasscia napo brassica), welke met de eerste overeen komt, doch fijner is en de winterkoude verduren kan.

Pas in de negentiende eeuw werd het in Duitsland omarmd en grootschalig geteeld. Sindsdien heeft koolrabi het imago van een Duitse groente.

Duitsland is met min of meer 60,000 ton de grootste producent en consument van koolrabi. In ons land is de koolrabi nog een nicheproduct.

Bron.

Een bijzondere kool: Boerenkool

Boerenkool (Brassica oleracea sabellica) is, zoals zijn wetenschappelijke naam al aangeeft, een variant van de kool (Brassica oleracea).
De oerboerenkool stamt uit Anatolië, het huidige Turkije, waar hij voor 5,000 jaar geleden voor het eerst in cultuur werd gebracht. Vermoedelijk is de bladkool – de voorvader van de boerenkool – de eerste kool die werd gecultiveerd. Die oervorm van onze groene boerenkool zou in al de vierde eeuw voor Christus in Griekenland en daarna ook in Italië zijn geteeld. Theophrastus beschreef in 350 vChr al een gekronkelde kool, een oude vorm van boerenkool.

Boerenkool is in ons land een kool met diepgroene gebobbelde bladeren. Dat dezelfde kool in Duitsland Braunkohl genoemd wordt is het gevolg van het feit dat het blad in vroeger tijden nogal een variabele kleur had. In sommige streken neigde deze naar bruin, terwijl het blad elders zelfs paars kon zijn. Nog tot 1951 worden in de rassenlijst bonte of sierkolen genoemd die slechts ‘dienden tot versiering van fruitschalen’. Zaadjes van die sierboerenkolen zijn in toenemende mate weer te koop. Het lijkt dat er tot begin twintigste eeuw een grote variatie aan bladkolen bestond, waarvan de donkergroene gekrulde boerenkool er slechts eentje was, maar wel de enige die in de loop van de tijd overbleef dankzij ons nationaal gerecht boerenkool met worst. De jaarlijkse productie van boerenkool ligt al een jaar of twintig rond de zeven miljoen kilo.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Brassica, is Latijns en betekende 'kool' en is vermoedelijk afgeleid van caput 'hoofd', dat verwijst naar de vorm van veel kolen. Het Engelse woord cabbage herinnert nog aan zijn Latijnse oorsprong. Het tweede deel, oleracea, heeft ook een Latijnse bron: oleri betekende 'eetbaar'. Het derde deel, sabellica, vernoemt de Sabijnen, een stam die Italië bewoonde voordat de Romeinen daar de macht grepen.

Er is maar weinig bekend over de geschiedenis van boerenkool in Zuid-Europa. Vermoedelijk was het slechts een van de vele bladgroenten die men daar uit het wild oogste en die men in het Klassieke Griekenland chorta (χόρτα) ofwel 'bladgroenten' noemde. Ook tegenwoordig is horta vrasta (χόρτα βραστά) nog steeds een gezond gerecht dat veel Grieken op tafel zetten.
[Horta vrasta]

Boerenkool is een typische bladkool die in de noordelijke delen van Europa, zoals Nederland, Noord-Duitsland, Denemarken en Scandinavië, een belangrijke wintergroente is. Voordat aardappels in Europa gangbaar werden, at men de boerenkool met gort. Aangezien aardappels in Amerika inheems waren moest men wachten tot dat de Indianen in het jaar 1492 de schepen van Christophorus Columbus hadden ontdekt.

Een bijzondere mosterd: Zwarte mosterd

Zwarte mosterd (Brassica nigra) is tegenwoordig inheems in tropische delen van Noord-Afrika, de gematigde zones van Europa en delen van Azië. Men neemt echter aan dat zwarte mosterd zijn oorsprong vindt in het Middellandse Zeegebied, waar de soort al duizenden jaren wordt verbouwd. Zwarte mosterd lijkt sterk op de witte mosterd (Sinapis alba), maar zwarte mosterd heeft iets kleinere zaden.
[Image: Matt Lavin]

De bladeren zijn blauwgroen van kleur. Zwarte mosterd bloeit van juni tot in september. De bloeiwijze is een tros met de bekende gele bloemen. Na de bloei ontstaat een tot 2,5 centimeter lange hauw, waarin vier tot tien zaden verstopt zitten. Die ronde zaden zijn donkerbruin, grauwgrijs of zwart van kleur met een netvormige zaadhuid.

Ook van zwarte mosterd wordt, jawel, mosterd gemaakt, maar dat is wereldwijd een wat aflopende zaak. Andere mosterdsoorten zijn namelijk eenvoudiger te oogsten en tijd is geld.

De plant blijkt extreem giftig voor paarden te zijn en er is dus iets aan de hand met de zwarte mosterd. Het blijkt een mogelijk onbedoeld bijverschijnsel van een uniek verdedigingsmechanisme van de zwarte mosterd.

Sommige plantensoorten uit het geslacht Brassicaceae, waartoe koolsoorten, mosterd en mierikswortel behoren, verdedigen zich tegen vraat door de aanmaak van bittere glucosinolaten. Wanneer het blad wordt beschadigd komen die glucosinolaten vrij en maken snel het enzym Myrosinase aan. Dat enzym 'lost' eigenlijk de eitjes van vlinders van het geslacht Pieris op. Het grote koolwitje (Pieris brassicae) heeft daar echter weer een antigif tegen ontwikkeld. Die voortdurende 'wapenwedloop' is hiermee echter nog niet ten einde, want de zwarte mosterdplant maakt intussen ook een stof aan waardoor cellen onder de eitjes van het koolwitje uitdrogen of van het blad vallen.

Uit recent onderzoek blijkt dat de verdedigingsmethode van zwarte mosterd heel specifiek wordt toegepast voor eitjes van het koolwitje en niet werkt voor eitjes van verschillende andere vlindersoorten[1]. Waar de herkenning van de eitjes door de plant op is gebaseerd en welke afweerstof daarbij wordt toegepast is nog onbekend en vergt nog meer onderzoek.

[1] Griese et al: Insect egg-killing: a new front on the evolutionary arms-race between brassicaceous plants and pierid butterflies in New Phytologist – 2021. Zie hier.

Nederland verhoogt productie van eiwitten

Nederland zet de komende vijf tot tien jaar in op de teelt van eiwitrijke gewassen, zoals veldbonen en aardappelen. Het doel van de strategie is om minder afhankelijk te worden van importstromen van eiwitrijke grondstoffen van buiten de Europese Unie.
Het Rijk investeert daarnaast in onderzoek naar innovatieve eiwitrijke bronnen voor zowel mensen als dieren, zoals insecten en micro-algen. Het kabinet wil dat er geëxperimenteerd wordt met het halen van eiwitten uit reststromen, zoals keukenafval. Deze nieuwe strategie staat beschreven in de Nationale Eiwitstrategie (NES) die minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) met de Tweede Kamer heeft gedeeld.

De Nationale Eiwitstrategie is onderdeel van het doel van de Europese Unie om minder afhankelijk te worden van importstromen. De Nationale Eiwitstrategie zou daarnaast ook bijdragen aan de transitie naar duurzame landbouw, betere bodemkwaliteit, meer biodiversiteit, minder emissies, het tegengaan van voedselverspilling en een betere balans tussen plantaardige en dierlijke consumptie.

Het eetpatroon van consumenten verschuift volgens LNV naar meer plantaardige eiwitten. Er is daarom winst te behalen om de afhankelijkheid van eiwitimport te verminderen. Het ministerie zet daarom in op het duurzame eetgedrag van de consument ook de gemakkelijke en normale keuze te maken. Het normaliseren van duurzaam eten en dat consumenten daarvoor ook de vaardigheden hebben bij het kiezen, kopen en koken van voedsel is daarbij ook van belang.

De Nationale Eiwitstrategie beschrijft dat eiwitrijke vlinderbloemigen, zoals veldbonen, erwten en bonen geschikt zijn voor het Nederlandse klimaat en als rotatiegewas kan bijdragen aan de bodemkwaliteit en de biodiversiteit. Het ministerie van LNV gaat in 2021, samen met partijen uit de hele eiwitketen, een ‘Green Deal Vlinderbloemigen’ opstellen. Op deze manier willen zij de samenwerking en succesvolle teelt verbeteren.

Omdat de akkerbouwgrond in Nederland beperkt is moeten er steeds meer van onze benodigde eiwitten uit andere bronnen komen. Zo kan er eiwit uit eendenkroos gehaald worden en kunnen bacteriën, schimmels en gisten omgezet worden in een voedingsmiddel (fermentatie) en andere microbiële eiwitbronnen. Er zijn dan ook diverse innovatieve ontwikkelingen in Nederland waar LNV in investeert.

Nederlandse boeren en tuinders zijn al langer aan de slag met het hergebruiken van eiwitrijke resten als basis voor onder meer varkens- en kippenvoer.

Mosterd op Mars

Veel mensen hebben waarschijnlijk de film 'Martian' gezien, waarin een astronaut Mark Watney, gespeeld door Matt Damon, na een hevige storm door zijn bemanning wordt achtergelaten op de onherbergzame planeet Mars. Maar de botanicus Watney heeft het echter overleefd en met een voortdurend afnemende hoeveelheid voedsel, moet hij gebruik maken van zijn vindingrijkheid om te overleven. Hij plant aardappels in een gecontroleerde omgeving.
Het is natuurlijk maar een film, maar de toekomst komt steeds dichterbij en binnen niet al te lange tijd zullen astronauten op weg gaan naar Mars.

Een goede voorbereiding is het halve werk en daarom zijn Tsjechische wetenschappers aan de slag gegaan om experimenten uit te voeren, waarbij voedsel in extreme omstandigheden wordt geteeld. De wetenschappers telen voedselplanten, zoals mosterd, basilicum en munt, zonder grond en met een minimum aan water. Om ruimte te besparen groeien de planten horizontaal in gestapelde kasten. Onderzoekers experimenteren met veranderingen in licht en temperatuur om zo de limieten van de plant te kunnen benaderen.

De het grootste voordeel van deze experimentele methode is dat er een waterbesparing mogelijk is van 95 procent, terwijl er tegelijkertijd veel minder ruimte nodig is.

Misschien dat deze methodes ooit op Mars of in ruimteschepen op weg naar de Rode Planeet zullen worden toegepast, maar ik zie veel meer mogelijkheden op onze eigen planeet. Bevolkingsgroei en een op veel plaatsen nijpend gebrek aan schoon drinkwater dwingen ons steeds meer om zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met de beperkte middelen.

Verband tussen peulvruchten en lagere kans op hart- en vaatziekten

Iedereen weet eigenlijk wel dat voeding een belangrijke rol speelt bij zijn of haar gezondheid. Het is immers algemeen bekend dat een voeding die rijk is aan suiker, foute vetten en zout het risico op bepaalde aandoeningen verhoogt. Een voeding die rijk is aan verse groenten en fruit daarentegen kan de kans op ziekten juist verlagen.
Het vaststellen van de effecten van de verschillende voedingsmiddelen op specifieke aandoeningen is echter enorm moeilijk. Recent onderzoek bekeek de invloed van het eten van peulvruchten, zoals bonen, erwten en linzen, op de gezondheid van het hart. Ze richtten zich hierbij in het bijzonder op het risico op hart- en vaatziekten, zoals een hartinfarct of beroerte[1]. Ook onderzochten ze het verband tussen de consumptie van peulvruchten op diabetes, hoge bloeddruk en obesitas.

Onderzoekster Hana Kahleova legt uit dat het onderzoek belangrijk is omdat hart- en vaatziekten wereldwijd de voornaamste doodsoorzaak zijn en de uitgaven van de gezondheidszorg aan deze problemen in de Verenigde Staten alleen al bijna €1 mld per dag kosten. Per dag.

Peulvruchten zitten boordevol vezels, eiwitten en diverse micronutriënten, maar bevatten weinig vetten en suikers. De American Heart Association, de Canadian Cardiovascular Society en de European Society for Cardiology promoten allemaal een voedingspatroon met meer peulvruchten om het gehalte LDL-cholesterol (het zogenaamde 'slechte' cholesterol) te verlagen, de bloeddruk gezond te houden en diabetes te voorkomen.

Onlangs gaf de European Association for the Study of Diabetes opdracht voor het uitvoeren van een aantal meta-analyses uit om de huidige aanbevelingen voor de rol van peulvruchten bij het voorkomen en behandelen van cardiometabole aandoeningen te actualiseren. In Nederland hebben ongeveer vier miljoen Nederlanders namelijk diabetes, obesitas of een verhoogd risico op hart en vaatziekten als gevolg van hoge bloeddruk of te hoge cholesterolwaarden.

De onderzoekers vergeleken de gegevens van mensen met de laagste en hoogste inname van peulvruchten. Ze stelden vast dat het eten van peulvruchten in verband gebracht kon worden met een 8% tot 13% lagere kans op hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk en obesitas.

Toch is veel meer onderzoek noodzakelijk, zo concluderen de onderzoekers, mede omdat de uitslagen hier en daar nog wat onduidelijk zijn.

[1] Viguiliouk et al: Associations between Dietary Pulses Alone or with Other Legumes and Cardiometabolic Disease Outcomes: An Umbrella Review and Updated Systematic Review and Meta-analysis of Prospective Cohort Studies in Advances in Nutrition – 2019. Zie hier.

Gezonde boerenkoolsmoothies?

Gezonde smoothies zijn al een tijdje een trend in ons land. Hoe gezond het imago van verse smoothies ook is, het gepureerde fruit bevat regelmatig meer suiker dan een vergelijkbare hoeveelheid cola. Er is qua zoetkracht namelijk geen verschil tussen de fructose (uit fruit) en de sucrose (uit suikerbieten). Geen wonder dus dat zelfs het Voedingscentrum enige kanttekeningen geplaatst heeft op haar website.
Maar er is natuurlijk een alternatief en dat is een smoothie van groenten. In de Verenigde Staten was plotseling de boerenkoolsmoothie een grote hit. In het Engels wordt dat de kale smoothie genoemd (hun woord 'kale' is een verbastering van ons woord 'kool').

Inderdaad zijn smoothies op basis van groene groenten minder zoet omdat ze veel minder suiker bevatten. Dat maakt ze direct een stuk gezonder. Gezondheidwebsites buitelen over elkaar heen om te bewijzen dat boerenkool een van de meest gezonde opties is om in je smoothies te verwerken. Zo zouden ze boordevol vitamines en mineralen zitten, tot de nok toe gevuld zijn met anti-oxidanten als quercetine and kaempferol, cholesterol kunnen verminderen, waardoor de kans op hartproblemen kleiner wordt en bovendien het ontstaan van diverse soorten kanker kunnen tegengaan en bovendien kunnen helpen om je gewicht in toom te kunnen houden.

Al die voordelen kunnen inderdaad met de nodige wetenschappelijke onderzoeken worden gestaafd, maar dat is niet het punt. Wat we natuurlijk in het oog moeten houden is dat een gevarieerd dieet, zoals het Voedingscentrum ons al jaren probeert uit te leggen, ook diezelfde voordelen zal opleveren.

Maar als je toch door de aantrekkingskracht van de boerenkoolsmoothie bent gezwicht, dan horen er toch enige waarschuwende woorden geuit te worden.

[1] Boerenkool bevat – net als alle andere koolsoorten - veel vitamine K en dat kan de werking van bloedverdunners als Warfarine (stofnaam Coumadin) belemmeren. In sommige patiënten met hartproblemen zou dat een hartaanval kunnen triggeren.
[2] Boerenkool is – net als alle andere koolsoorten – rijk aan kalium. Kalium reguleert mede elektrische signalen naar de hartspiercellen. ACE-remmers worden voorgeschreven om de bloeddruk te verlagen en om hartfalen te behandelen. Deze ACE-remmers zorgen voor een toename van kalium. Een teveel aan kalium kan leiden tot een onregelmatige hartslag of hartkloppingen, wat potentieel dodelijk kan aflopen.
[3] Boerenkool bevat – net als alle andere koolsoorten – thiocyanaat, wat in hoge concentraties, de jodiumopname in de schildklier belemmert. De schildklier heeft jodium nodig voor de productie van het schildklierhormoon.

Boerenkool is – net als alle andere koolsoorten - zeker een heel gezonde groente, maar ik zou adviseren om niet iedere dag een boerenkoolsmoothie op het menu te zetten.

Een bijzondere boon: Hyacinthboon

Nee, de hyacinthboon (Lablab purpureus) is geen familie van de hyacinth, maar is onderdeel van de grotere familie der vlinderbloemigen (Fabaceae). Deze boon is inheems in India, maar is zo populair gebleken dat hij tegenwoordig in alle tropische gebieden wordt geteeld. Het blijkt de enige soort te zijn binnen het geslacht.
Het uiterlijk van de hyacinthboon (als plant en als boon) is behoorlijk variabel als gevolg van de eisen die akkerbouwers er al eeuwen aan gesteld hebben. Tegewoordig zijn het eenjarige planten, al is de hyacinthboon in het wild meerjarig. De dikke, bijna liaanachtige stelen kunnen wel zes meter lang worden. De bladeren kunnen aan de onderzijde behaard zijn. De bloemen kunnen verschillende kleuren hebben, waaronder wit, paars of zelfs met een zweem naar blauw. Ook de peul kan varieren in vorm, grootte en kleur. Gewoonlijk is deze een centimeter of zeven lang en is dan helder paars of lichtgroen van kleur. Hij bevat tot vier bonen. Ook die bonen van een centimeter in grootte kunnen weer verschillend van kleur zijn. Afhankelijk van de cultivar kun je rekenen op wit, bruin, rood of zwart.

De hyacinthboon heeft, zoals je hebt kunnen lezen, een bekoorlijk uiterlijk en dat is de reden dat men hem ook graag als tuinplant aanplant.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lablab, is van Arabische of zelfs Egyptische oorsprong. Het verklaart het geluid dat droge boontjes in hun peul maken. Het tweede deel, purpureus, is afgeleid van het klassiek-Griekse porphyra, dat 'paarse (kleurstof)' betekent. Het was oorspronkelijk de naam van de zeeslak (Murex), waar de kleurstof uit gewonnen werd.
De bladeren worden rauw of gekookt gegeten zoals wij spinazie eten. Ook de bloemen vinden, rauw of gestoomd, hun weg naar menige tropische maaltijd. De bonen worden gebruikt om tofoe of tempeh te maken. Normaal worden daar sojabonen voor gebruikt.

In een land als Bangladesh worden de peulen in zijn geheel gekookt en opgediend met vis als een curry. In China worden de bonen gewoonlijk eerst gedroogd en daarna gebakken. Daar zijn ze tevens een traditioneel middel om de milt te reinigen, hitte en zweterigheid uit je lichaam te verdrijven en om je eetlust te bevorderen.

Hoe gezond de hyacithboon ook lijkt, hij zit vol met cyanogene glycosiedes die in je lichaam tot het potentieel dodelijke blauwzuur worden omgezet. De peulen en bonen moeten daarom vooraf een aantal keren worden gekookt in steeds ververst water.

Wil je zelf eens proberen deze bijzondere boon op te kweken dan kun je hier het plantmateriaal kopen.

Een bijzondere boon: Tepary bean

De tepary bean (Phaseolus acutifolius) behoort tot een andere familie dan de hier in Nederland geteelde en gegeten versie van de gewone boon (Phaseolus vulgaris). De boon - we zullen hem vanaf hier maar 'tepariboon' noemen - is inheems in het zuidewesten van de Verenigde Staten en Mexico. 
De teparybonen kunnen vrijwel iedere kleur en formaat hebben, aangezien er vele locale rassen bestaan.  De teparyboon moet langer gekookt worden dan andere bonensoorten, omdat hij een dichtere structuur heeft.

Zijn grootste voordeel is de omstandigheid dat hij van alle bonen genoegen neemt met het minste water. Geen wonder dat hij vooral in droge en hete woestijnachtige omgevingen met minder dan 400 mm neerslag per jaar wordt geteeld. Die eigenschap hadden de Indiane, Maya's en voor hen de Olmecs ook al lang voor de komst van Columbus in 1492 ontdekt en deze bonensoort behoorde tot het basisvoedsel van deze inheemse volkeren.

In de gortdroge Sonorawoestijn ontluiken de bloemen kort na de zomerregens die de woestijn in augustus even doen opleven. Daarna treedt de droogte weer in en de peulen rijpen af gedurende de maand oktober.

Mocht iemand geïnteresseerd zijn wat de term 'tepary' betekent dan gaan we even de geschiedenis in. Men gelooft dat de Tohono O'odham, een Indianenstam die leefde in de Sonorawoestijn, de uiteindelijke oorsprong van de term zijn geweest. In hun taal betekende tʼpawi zoiets als 'het is een boon'.

Onderzoekers met een vooruitziende blik zijn bezig om de teparyboon te kruisen met de gewone boon, zodat in de laatste ook de droogtebestendige eigenschappen van de teparyboon worden ingebouwd. Gezien de opwarming van de aarde lijkt dat niet zo'n heel slecht idee.

Een bijzondere boon: Cranberry bean

De bekende en weinig opvallende gewone boon (Phaseolus vulgaris) is een eenjarige plant uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae). De soort is afkomstig uit Zuid-Amerika en heeft de neiging om zich in vele vormen en kleuren te kunnen omtoveren. Wij kennen hem hier in de vorm van de bruine boon, de witte boon, de kidneyboon (of nierboon), de sperzieboon en de snijboon.
Dat is interessant, zo zul je wellicht weinig geïmponeerd opmerken. De ene saaie kleur vervangen door een andere is niet zo heel opmerkelijk, maar lees toch maar even door.

In het Zuid-Amerikaanse land Colombia werden al eeuwenlang gewone bonen geteeld die een afwijkende kleur hadden. Omdat daar de bonen zijn geëvolueerd zijn daar ook diverse ondersoorten en kleuren ontstaan. Eentje daarvan is een versie die lichtbruin tot gebroken wit van kleur is en doorklieft is met prachtige rode, rossige of roodpaarse strepen. De boon staat in zijn thuisland bekend als de cargamanto, maar de westerse wereld kent hem als de cranberry bean.

Zijn prachtige kleurstelling zorgde er mede voor dat hij, samen met onder andere aardappels, tomaten en chilipepers, met huiswaarts reizende conquistadores de Atlantische Oceaan overstak en in Zuid-Europese landen op het menu werd gezet.
In Italië wordt deze variëteit geteeld onder de naam borlotti en heeft onderweg een iets dikkere schil gekregen. De Italianen houden kennelijk van bonen met een iets steviger bite. Maar zelfs in Italië zijn er verschillen in smaak, want in de Noord-Italiaanse plaats Saluggia wordt sinds omstreeks het jaar 1900 een type borlotti geteeld onder de naam saluggia. Tevens staan varianten van de cranberry bean af en toe op het menu in de Portugese, Turkse en Griekse keukens.

De ronde tot ovale cranberry beans hebben een wat nootachtige smaak en een romige textuur. Tijdens het koken verandert de kleur in egaal lichtbruin en verliezen dus hun opvallende kleurstelling.

Wil je eens proberen om deze bijzondere boon op te kweken dan kun je hier het kweekmateriaal bestellen.

Paarse spruitjes

Sommige volwassenen hebben ooit trauma's opgelopen omdat ze van hun ouders verplicht hun spruitjes moesten opeten. Ooit was de smaak van spruitjes inderdaad iets voor gevorderden, omdat deze behoorlijk bitter was. De laatste tien jaar hebben kwekers aardig aan de spuit gesleuteld en de meeste bitterheid is intussen uit spruitjes verdwenen. Niet alles natuurlijk, maar genoeg om ze aan je kinderen voor te kunnen  schotelen.

Mede daardoor zijn spruitjes aan een heuse inhaalslag bezig. Bovendien staan ze ook nog eens als zeer gezond te boek en zitten boordevol vitaminen, waaronder vitamine C en vitamine B11, oftewel foliumzuur.
Tegenwoordig bestaan er ook paarse spruitjes. Die zijn nóg gezonder gemaakt door er anthocyanine in te kweken. Die paarsrode kleurstof zit tevens in rode bosbes, rode kool, cranberry's en de allernieuwste bijna zwarte tomaten. Een goed vuistregel om supergezond te eten is derhalve: Eet Paars. De paarse spruiten hebben een hele milde spruitensmaak met zelfs een nootachtig accent.

Deze spruit heeft – niet verwonderlijk – de naam purple sprout gekregen en is ontwikkeld door VOF Van Putten uit Dirksland.

Binnenkort in je eigen supermarkt te koop.

Broccolibladeren

Als de stronkjes broccoli (Brassica oleracea Italica group)in de supermarkt of bij de groenteboer geduldig liggen te wachten op een liefhebber zitten er maar een paar minuscule blaadjes aan. Op de akker heeft de broccoliplant grote bladeren die noozakelijk zijn om met behulp van chlorofiel het zonlicht om te zetten in energie. Zie het broccoliblad maar als een zonnecollector van Moeder Natuur. Die opgewekte energie wordt gebruikt om uit te groeien tot een volwassen broccoli.
Bij de oogst worden de bladeren van de plant afgesneden en zijn jarenlang door het land heen gefreesd om als voeding voor de bodem te dienen. Het broccoliblad heeft namelijk we degelijk voedingsstoffen en heeft tevebns een licht reinigende werking.

Maar wat goed is voor de aarde is ook goed voor de mens. Uit onderzoek blijkt dat het broccoliblad rijk is aan vitamine A en C. Bovendien bevatten ze meer vitamine K, foliumzuur en kalium dan boerenkool. In het blad zitten zelfs hogere waarden aan vitamines, calcium, ijzer en kalium dan de broccoliroosjes zelf.
Het blad smaakt milder dan boerenkool, want deze heeft namelijk een ietwat bitter accent. Zelfs broccoliroosjes zijn nog iets sterker van smaak dan het blad van dezelfde plant. Daardoor kunnen broccolibladeren prima dienen als een aparte blad- of soepgroente, maar kunnen ook dienst doen als basis voor het maken van gezonde groentesmoothies of kunnen rauw in een salade verwerkt worden.

Goh, hoor ik je denken, dat ik daar nog nooit eerder van gehoord heb. Toch eeuwig zonde dat boeren zich gedwongen voelen om het blad onder te ploegen. Maar Verdonk Broccoli uit het Noord-Hollandse Wervershoof brengt deze groente nu op de markt onder de naam Broccoleaf. Kijk, dan ben je innovatief bezig.

Een bijzondere kool: Cavolo Nero (of Palmkool)

Cavolo nero betekent 'zwarte kool' in het Italiaans. Aangezien de natuur geen echte zwarte kleuren in planten kan creëren is ook de cavolo nero niet zwart, maar zeer donkergroen. Zijn juiste Nederlandse naam is palmkool, maar zwarte bladkool is ook acceptabel.
Palmkool (Brassica oleracea acephala) is een cultivar of variëteit van boerenkool (Brassica oleracea) en werd ooit in ons land verbouwd. De kool raakte uit de gratie van zowel telers als consumenten, maar als gevolg van de hang naar exotische gerechten is ook de palmkool weer aan een voorzichtige opmars bezig.

Dat palmkool eigenlijk een boerenkool is, betekent dat hij slechts op enkele punten van zijn stamvader verschilt. Palmkool fleurt de kale wintertuin op met haar sierlijke, zwartgroene bladeren. Omdat boerenkool en palmkool tot diep in de winter door kunnen groeien werden ze in vroeger tijden zeer gewaardeerd omdat deze groente vaak als allerlaatste vers van het land kon worden geoogst. Zo kregen mensen toch nog voldoende vitamine C binnen in het winterseizoen.

Palmkool wordt vooral in de Italiaanse provincie Toscane gegeten, eenvoudig op smaak gebracht met wat knoflook en ui. Ook wordt in die regio een smakelijke soep van zowel de stelen als de bladeren gemaakt. De hier onbekende, maar in Toscane zeer gewaardeerde Farinata di cavolo nero is een stevige voedzame pap met gesneden palmkool.

Wil je zelf eens proberen cavolo nero of palmkool op te kweken uit zaad dan moest je ooit boodschappen gaan doen bij Albert Heijn. Gedurende actieperiode met de moestuintjes van 2017 was ook deze groente beschikbaar.

[Recensie] 'Toxic Exposures' door Susan L. Smith

Mosterdgas wordt doorgaans geassocieerd met de verschrikkingen van de slagvelden en loopgraven in Eerste Wereldoorlog, waar chemische wapens verantwoordelijk waren voor tienduizenden doden. Weinigen beseffen echter dat het gebruik mosterdgas een opleving had tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen was het gebruik ook wijdverbreid en zeer geheim.
Het boek 'Toxic Exposures' vertelt het schokkende verhaal dat de Verenigde Staten en diens bondgenoten opzettelijk duizenden van hun eigen militairen blootstelden aan dit gifgas als voorbereiding op een mogelijke chemische oorlogsvoering op het Europese continent.

Daarnaast onthult het boek een raciale dimensie aan deze experimenten met mosterdgas. Er werd namelijk door 'wetenschappers' getest of de gevolgen voor blootstelling aan deze giftige stof mogelijk varieerde per ras. Er werd onderzocht of Aziaten, Latijns-Amerikanen, blank en zwart anders op mosterdgas reageerden.

De schrijfster, historica Susan L. Smith, kon voor haar onderzoek putten uit recent vrijgegeven geclassificeerde overheidsverslagen van zowel de Verenigde Staten als Canada, militaire rapporten, wetenschappelijke onderzoeksverslagen en getuigenissen van veteranen. Ze beschrijft niet alleen de lichamelijke en geestelijke gevolgen voor de willoze slachtoffers van deze kwalijke experimenten, maar ook de gevolgen voor het milieu, omdat na de oorlog het restant van het mosterdgas simpelweg in de Stille Oceaan gedumpt werd.

Terwijl ze de giftige erfenis van deze experimenten probeert te doorgronden, beschrijft Smith ook de soms verrassende gevolgen ervan: het bleek het onbedoelde begin van chemotherapie bij de behandeling van kanker.

Toch blijft de lezer met een zeer vervelend gevoel achter, omdat we wel verontwaardigd zijn geweest toen de onbeschaafde Duitse experimenten van mensen als dokter Joseph Mengele aan het licht kwamen, maar de Amerikanen hebben altijd 'vergeten' te melden dat ze hetzelfde soort onderzoek uitvoerden.

Met het boek 'Toxic Exposures' is dat deel van de geschiedenis nu herschreven.

Varkenskers

In Nederland groeien een tweetal leden van de famlie van de varkenskersen: de kleine varkenskers (Coronopus didymus) en de grote varkenskers (Coronopus squamatus). Het zijn zogenaamde tredplanten, planten die nog succesvol groeien op plaatsen die veel betreden worden. De doordringende geur van de varkenskersen lijkt op een combinatie van de frisse geur van de tuinkers en die van ongewassen muizen.

Toch behoort de varkenskers ook tot de grote mosterdfamilie en dat is het best te zien aan de bladeren. Groeien de meeste mosterdsoorten hemelwaarts, deze variant laat zijn bladeren in horizontale richting groeien.
Beide zijn overigens ook exoten. De kleine varkenskers is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Amerika, maar is al aan het eind van de achttiende eeuw in ons land verschenen. De grote varkenskers is ooit vertrokken vanuit het Middellandse Zeegebied en is een cultuurvolger. Ze kunnen zout in hun wortels opnemen en waarden van 17 procent zijn gemeten.

Varkenskersbladeren hebben een behoorlijk sterke mosterdsmaak en kunnen als salade gegeten worden of gebruikt worden om vissen mee te vullen. De wortels kunnen worden vermalen en, vermengd met azijn, ontstaat een soort pittige vervanger van mierikswortel. Ze kunnen overigens ook gekookt worden en als groente gegeten worden.

Een bijzondere mosterdplant: Saharamosterd

Saharamosterd komt niet in Nederland voor. Niet in het wild, niet verwilderd, niet in je keukenkast en niet op je bord. Saharamosterd (Brassica tournefortii) is hier zelfs zo onbekend dat hij geen Nederlandse naam bezit, een probleem dat ik zojuist heb opgelost.

Saharamosterd is inheems in de woestijnen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten en bezit alle kenmerken die je van een mosterdplant mag verwachten. Hier is het simpelweg te koud voor deze warmteminnende plant.

In Engelstalige landen staat de mosterdsoort bekend als Asian mustard, African mustard en Sahara mustard. Gezien het feit dat er ook andere, verwante soorten in zowel Afrika als Azië voorkomen is de naam Saharamosterd de meest logische keus.
Deze mosterdvariant is een eenjarige plant die, afhankelijk van de omstandigheden, kan uitgroeien van óf 10 óf tot 100 centimeter hoogte. In de verzengende hitte van de woestijn worden de bladeren van de saharamosterd niet groter dan acht centimeter, maar heeft de plant de beschikking over voldoende vocht en voedsel dan kunnen die bladeren uitgroeien tot wel 50 centimeter lengte, wat dus een totale spreiding kan opleveren van wel één meter. De bloemen zijn veel fletser van kleur dan de meeste van zijn familieleden. Die staan immers bekend om hun felgele bloemen.

In diens thuislanden in noordelijk Afrika wordt de saharamosterd geoogst omdat de zaden gebruikt kunnen worden om olie uit te winnen. De bladeren en de jonge scheuten kunnen gekookt worden en als groente worden geconsumeerd. In Libië worden saharamosterdbladeren gemengd met couscous en wat andere specerijen om een smakelijk gerecht te maken.

Zoals zoveel planten is ook de saharamosterd op veel plaatsen een invasieve soort geworden. Vooral in de zuidelijke staten van de Verenigde Staten staat hij bekend als een onuitroeibaar onkruid. Eigen schuld natuurlijk, want de eerste saharamosterdplanten zijn per ongeluk meegereisd met de import van tropische dadelpalmen. Men had namelijk in het begin van de 20ste eeuw besloten ook dadels in de Coachella Valley (California, USA) te gaan verbouwen. Dat laatste is wel gelukt overigens.

In plaats van te zeuren kunnen die verwende Amerikanen beter wat recepten verzinnen om de saharamosterd op een positieve manier aan te pakken. Eat the invaders!

Een bijzondere mosterdplant: Wilde mosterd

Je hebt wilde mosterd en je hebt wilde mosterd. De eerste versie van wilde mosterd zijn alle soorten mosterd die in het wild groeien en dat zijn er nogal wat, zo blijkt ook uit de bijdragen op deze site. De tweede versie van wilde mosterd is een aparte soort binnen de mosterdfamilie. Deze wilde mosterd (Cleome viscosa) behoort tot het geslacht (Cleome) waarbinnen zo’n 170 soorten een plekje hebben gevonden. Al deze soorten groeien en bloeien in tropische tot warme gematigde regio’s.

Het geslacht Cleome heeft voor nogal wat verwarring gezorgd onder biologen. Men kon het er maar niet over eens worden in welke plantenfamilie dat geslacht geplaatst zou moeten worden. Die onzekerheid was er dan ook de reden van dat Cleome een aantal keren moest verhuizen van de ene familie naar de andere. Uiteindelijk heeft de genetica voor een definitieve uitkomst gezorgd en mocht de familie Brassicaceae zich verblijden met een uitbreiding. Dat betekent dat de wilde mosterd uiteindelijk een broertje van de ‘echte’ mosterd is geworden.

Uiteraard heeft men ook aan deze mosterdsoort allerhande positieve geneeskrachtige eigenschappen toebedacht, maar die blijken na onderzoek niet meer of minder te zijn dan reguliere mosterdsoorten[1]. Vooral in India wordt in de volksgeneeskunst veel gebruik gemaakt van alle delen van deze plant. Ook van deze soort kun je van de zaden mosterd of biodiesel maken.

Ondanks alle voordelen wordt de wilde mosterd in India niet aangeplant, maar wordt hij vooral gezien als een lastig onkruid.

[1] Mali: Cleome viscosa (wild mustard): a review on ethnobotany, phytochemistry, and pharmacology in Pharmaceutical Biology - 2010

Mosterdgas wordt niet (meer) van mosterd gemaakt

Mosterdgas is een strijdgas dat berucht werd door zijn overdadige gebruik in de loopgravenoorlogen in de Eerste Wereldoorlog. Het gas veroorzaakt eerst een prikkeling en uiteindelijk blaren op lichaamsdelen waarmee het in aanraking komt. Maar omdat mosterdgas vaak in gasvorm of nevel werd toegepast ontstonden die blaren natuurlijk ook op oogbol en in de longen.

Het gluiperige van mosterdgas is dat de symptomen pas na 2 tot zelf 24 uur na de blootstelling duidelijk worden en dan waren tegenmaatregelen nauwelijks meer werkzaam. Overigens bestond (en bestaat) er geen tegengif en bestond de behandeling slechts uit het verminderen van pijn. Veel van de slachtoffers leden 40 jaar na de oorlog nog steeds aan de blijvende gevolgen van mosterdgas, voornamelijk met klachten als oogschade, waaronder blindheid, en chronische ademhalingsproblemen.
Zuiver mosterdgas is bij kamertemperatuur een kleurloze, geurloze en olieachtige vloeistof, maar bij toepassing als strijdwapen is zuiverheid geen argument: het gaat dan om de werkzaamheid. In onzuivere vorm is mosterdgas geelbruin van kleur en heeft het een kenmerkende geur, die doet denken aan mosterd, knoflook en mierikswortel.

Morsterdgas zou je in theorie van mosterd kunnen maken, ware het niet dat je heel veel mosterd nodig hebt om een 'zinnige' hoeveelheid te creëren. De scherpe smaak van mosterd wordt namelijk veroorzaakt door een chemische stof met de naam allylisothiocyanaat (C4H5NS). Dit is in grotere hoeveelheden een zeer giftig goedje en het kán als als grondstof gebruikt voor het produceren van mosterdgas.

Mosterdgas (C4H8Cl2S) is in een laboratorium of in een productie-eenheid veel eenvoudiger te produceren door zwaveldichloride te behandelen met ethyleen: SCl2 + 2C2H4 → (ClCH2CH2)2S. Er komt dus geen mosterd aan te pas.

Toch hebben wetenschappers het hierboven genoemde allylisothiocyanaat (C4H5NS) intussen goed onderzocht. Het blijkt dat het, behalve een brede werking tegen allerhande soorten bacteria, ook werkzaam lijkt te zijn tegen kanker[1]. Veel meer onderzoek is echter gewenst.

[1] Zhang: Allyl isothiocyanate as a cancer chemopreventive phytochemical in Molecular Nutrition and Food Research - 2011

Een bijzondere mosterdplant: Sofiekruid

Mosterd is zowel een een uitgebreide als een verwarringstichtende familie. De bijdragen op deze plek tonen aan dat mosterdplanten tot diverse plantenfamilies kunnen behoren en dat maakt het allemaal niet eenvoudig. Een goed voorbeeld van die verwarring is het sofiekruid.

Sofiekruid (Sisymbrium Sophia of Descurainia Sophia) een volstrekt vergeten keukenkruid. Het is een tot één meter hoge rechtopstaande plant. Deze mosterdplant is direct te onderscheiden van alle andere in Nederland voorkomende kruisbloemigen door zijn fijn verdeelde bladeren. Het is een oorspronkelijk Euraziatische soort, die in Nederland in kalkrijke duinen zal voorkomen.
Na de bloei ontstaan uit het vruchtbeginsel langwerpige en opwaarts krommende hauwen. Hauwen zijn simpelweg mini-peultjes, waarin de mosterdzaden zich bevinden. Het zaad wordt zowel rauw als gekookt of geroosterd gegeten worden, maar kan ook als mosterd geperst worden.

Het jonge blad is een pittige toevoeging in salades. Het oudere blad kan na kort roerbakken eveneens gegeten worden.

De naam sofiekruid is niet voor niets gekozen, want sophos betekent in het oud-Grieks ‘wijsheid’ en die naam is te danken aan zijn aanduiding in oude kruidenboeken. Onder middeleeuwse kruidenmannetjes en –vrouwtjes stond hij bekend als Sophia Chirurgorum, de 'Wijsheid van de Chirurgijnen' omdat het kruid als laatste redmiddel tegen dysenterie werd ingezet.

In Duitsland is het ook al bekend als Sophienkraut en wordt het geassocieerd met Sint Sophia van Rome (gestorven in 304 nC), die werd aangeroepen om in het voorjaar te laat intredende vorst tegen te gaan. Ze is daarmee een van de ijsheiligen.

Wil je zelfs eens proberen om dit bijzondere keukenkruid op te kweken dan kun je hier de zaadjes bestellen’.

Een bijzondere mosterdplant: Look-zonder-look

Ook Look-zonder-look (Alliaria petiolata) behoort tot de mosterdfamilie (Brassicaceae) en was vooral vroeger in gebruik als keukenkruid omdat het een aroma bezit dat een duidelijke combinatie is van mosterd en knoflook. Dat leverde hem in Engeland de naam garlicmustard (‘knoflookmosterd’) en poor man’s musterd (‘arme lui’s mosterd’) op.

Gewoonlijk is look-zonder-look een tweejarige plant. In het eerste jaar wordt een rozet van gevormd van ronde, ietwat gerimpelde blaadjes, die naar knoflook ruiken wanneer ze gekneusd worden. Het volgende vormt zich ook de bloemstengel. Look-zonder-look is een voorzomerbloeier met tere witte bloempjes in dichte clusters.
[Foto: Kristian Peters]
Binnen de mosterdfamilie is de plant uiterst herkenbaar vanwege haar hartvormige, gegolfde blaadjes. Bij kreuzing verspreiden ze de welbekende geur van uien of andere looksoorten (Allium spp.). Omdat de plant in verder niets op een look lijkt, is het duidelijk dat we te maken hebben met een ‘look-zonder-look’.

Deze soort is inheems in het grootste deel van Europa, noordelijk Afrika en Zuidwest Azië tot in Noord-India. In Nederland is zij plaatselijk vrij algemeen, maar houdt toch het liefst van de Hollandse duinen en de Limburgse oevers van de grote rivieren. Hij doet het goed op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen, langs bospaden en beken, liefst enigszins in de schaduw.

Van Look-zonder-look is ontdekt dat het een van de oudste keukenkruiden van Europa is. Archeologische opgravingen hebben aan het licht gebracht dat gerechten in de Baltische staten al bijna 6000 jaar geleden werden gekruid met look-zonder-look. Dus is het een beetje vreemd dat zo’n opmerkelijk kruid eigenlijk een beetje in de vergetelheid is geraakt.

De fijngehakte bladeren werden als smaakmaker toegevoegd aan salades and sauzen, zoals pesto. Soms worden de bloemen ook aan salades toegevoegd: decoratief én smaakvol. In Frankrijk werden zaadjes van look-zonder-look wel toegepast als specerij in bepaalde voedingsmiddelen.

Ook als geneeskruid had het ooit een reputatie hoog te houden. Het werd soms gebruikt om wonden te ontsmetten en op die manier het genezingsproces te versnellen.

Een bijzondere mosterdplant: Koolzaad

Ooit, lang geleden, is koolzaad (Brassica napus) ontstaan als een bastaard van kool en het bij ons ook inheemse raapzaad (Brassica rapa). Van koolzaad is dus geen oorspronkelijke wilde vorm bekend, maar dat weerhoudt hem er niet van om gemakkelijk te verwilderen.
Een probleem ontstaat bij het Engelse woord rapeseed, dat dus bij de vertaling geen raapzaad oplevert is, maar koolzaad. De zo kuise Amerikanen spreken trouwens liever van canola (CANadian Oil Low Acid) dan van rapeseed omdat mensen eens mochten gaan geloven dat het zou gaan om ‘verkrachtingszaad’. Zucht.

Zoals alle mosterdvarianten was koolzaad niet zo geschikt als voedsel voor mens en dier vanwege de hoge niveaus aan glucosinolaten. Selectie en genetische manipulatie hebben er voor gezorgd dat de huidige rassen minder glucosinolaten bevatten en dus wordt koolzaad tegenwoordig ingezet voor de productie van biodiesel en cosmetische oliën. De plant zelf is zeer geschikt als krachtvoer voor vee.

Kun je dus mosterd maken uit koolzaad? Theoretisch zou dat kunnen als je een wilde bastaard zou kunnen vinden. Aan de huidige vorm is zoveel gesleuteld dat de pittige glucosinolaten nauwelijks meer aanwezig zijn.

Halverwege de twintigste eeuw werd in Nederland, met name in Groningen, maar liefst 30.000 hectare verbouwd. De inpoldering van de Flevopolder maakte het gewas ook in die streek populair vanwege de positieve invloed van het koolzaad op de bodemstructuur. Door het toenemende gebruik van fossiele brandstof verloor koolzaad bij veel ondernemers zijn plaats in het teeltplan.
[Koolzaadolie van brassicaolie.nl]
Koolzaad wordt tegenwoordig weer in toenemende mate in ons land geteeld vanwege zijn olie, zowel als biobrandstof als voor gebruik in de keuken. Iedere geteelde hectare brengt naast olie ook stro en koek bij restproducten voort. De gemiddelde koolzaadopbrengst per hectare ligt in Nederland tussen de 4000 en 5000 kilo onder gunstige omstandigheden, waaruit ruim 1500 liter koolzaadolie gewonnen kan worden. Vaak dient het koolzaad eerst met wamre lucht worden gedroogd, voordat de koolzaadolie eruit kan worden geperst.

Koolzaadolie uit eerste milde persing is te gebruiken in koude en warme gerechten, voor in sauzen, dressings en is tevens geschikt om mee te koken en in te bakken.

Een bijzondere mosterdplant: Abessijnse mosterd

Abessijnse mosterd, Afrikaanse bolletjeskool of crambe (Crambe abyssinica) is een broertje van de aan onze kusten groeiende zeekool (Crambe maritima). Abessijnse mosterd is een eenjarige plant met veel vertakkingen waaraan kleine witte bloemen verschijnen. Afhankelijk van het feit of we een goede of een slechte zomer hebben en de plantdichtheid kan de Abessijnse mosterd een hoogte tussen de 1 en 2 meter bereiken.

Ondanks het feit dat een van zijn namen Abessijnse mosterd is komt hij niet uit Abessinië, de naam waaronder Ethiopië in historische tijden bekend stond. Men denkt nu dat zijn herkomst gezocht moet worden in zo’n beetje het grensgebied tussen Turkije en Iran.
[Foto: Kurt Stüber]
Abessijnse mosterd is een tijdje ‘hot’ geweest omdat het een hoog gehalte aan erucazuur, een enkelvoudig onverzadigd vetzuur, bevat. Voor menselijke consumptie is dit vet zuur ongeschikt, maar de industrie heeft er verschillende toepassingen voor gevonden. Het is een ingrediënt voor de productie van synthetisch rubber, het gaat de vorming van roest tegen, het is een industrieel smeermiddel en het wordt toegepast in vochtinbrengende crèmes. In Europa is er nog nauwelijks belangstelling voor. Dat is jammer want we zouden onze kinderen een groot plezier doen als we een groene economie na zouden streven.

Vaderlandse akkerbouwers gebruiken Abessijnse mosterd soms als groenbemester. Abessijnse mosterd wortelt zo diep dat het zorgt voor een betere structuur van de bodem. Als de boer het gewas later onderploegt dan zorgen de isothiocyanaten, de stofjes, die de mosterd (en dus ook de Abessijnse mosterd) zo’n heerlijke pikante geur en smaak geven, ook onder de grond voor bepaalde effecten. Bepaalde cystenaaltjes houden daar niet van en gaan dood.

Mosterd: Een (beetje) geschiedenis

Mosterdplanten zijn gedurende de geschiedenis gebruikt als groente, als oliezaad, als specerij en als medicijn. Gele mosterd (Sinapis alba) is waarschijnlijk ontstaan in gebieden rondom oostelijke delen van de Middellandse Zee, zwarte mosterd (Brassica nigra) in het Midden-Oosten, bruine mosterd (Brassica juncea) in Centraal-Azië en Ethiopische mosterd (Brassica carinata) in het noordoosten van Afrika.

Voor de huidige mosterd wordt gele mosterd in combinatie met een meer pittige soort in een pot gestopt. Vroeger gebruikte men daarvoor zwarte mosterd, maar het probleem daarvan is dat deze variant niet mechanisch geoogst kan worden en dus tegenwoordig alleen nog maar in landen wordt verbouwd waar men nog handmatig oogst.

Als je zou vragen waar, wanneer, waarin en welke soorten mosterd in de geschiedenis als eerste zijn gebruikt dan is het antwoord op die vragen dat men het niet zeker weet en dat men slechts uit archeologische opgravingen heeft kunnen opmaken dat mosterdplanten al heel lang deel uitmaken van de menselijke geschiedenis. Resten van mosterdzaden zijn gedateerd op ongeveer 3000 vCr in Irak, 2000 vCr in India, 1900 vCr in Egyptische tombes.
[Foto: www.canadianmanufacturing.com]
De bekende Griekse wetenschapper Pythagoras (circa 530 vCr) is niet alleen bekend van zijn Stelling van Pythagoras (a2+b2=c2), maar heeft ook over de geneeskracht van mosterd geschreven. Hij meende dat een papje van mosterd een effectief middel zou zijn voor steken van schorpioenen. Wat later beval Hippocrates (circa 400 vCr) de zaden voor zowel intern als extern gebruik aan. Ook in onze contreien bleef mosterd lange tijd een bekend huis- tuin- en keukenmiddel tegen reumatiek.

In Europa werd mosterd gedurende de Middeleeuwen bijzonder gewaardeerd om de smaak van het gepekelde vlees wat op te krikken. De Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama (1460-1524) zorgde ook dat hij voldoende van deze specerij bij zich had om zijn bemanning tevreden te houden gedurende zijn wereldreizen. Ook die waren na verloop van tijd uitgekeken op dat breinzoute vlees.

Spaanse missionarissen hadden kennelijk het sprookje van Hans en Grietje gelezen want zij strooiden tussen 1683 en 1834 mosterdzaadjes op hun Mission Trails (routes van missie naar missie) in het Amerikaanse Californië. Daardoor konden navolgers niet verdwalen omdat ze de mosterdplanten als routeplanner konden gebruiken.

Achteraf was dat niet zo’n geweldig goed idee want de exotische mosterdplanten concurreren nu met inheemse planten.

Een bijzondere mosterdplant: Mosterdspinazie

Mosterdspinazie (Brassica rapa perviridis) is een bladgroente, die afkomstig is uit Japan. Het is een variant van de knolraap (Brassica rapa), het volksvoedsel van de Lage Landen voor de introductie van de aardappel. In zijn thuisland wordt hij komatsuna genoemd wat zoiets betekent als ‘kleine denneboomgroente’. Die naam heeft hij te danken aan de diepe donkergroene kleur van het blad. Ik zou hem meer willen vergelijken met paksoi.
[Foto: wholofoodcatalog.info]
Deze bladgroente heeft een heerlijke koolsmaak met een subtiele nasmaak van mosterd, terwijl hij als een spinazie verwerkt kan worden. Het beste van twee werelden, zou je zeggen. In Japan wordt hij rauw in salades verwerkt of kort geroerbakt. Ook soepen knappen vaak echt op van een paar blaadjes mosterdspinazie.

Zaadjes van deze exotische mosterdsoort zijn maar spaarzaam te krijgen, maar bij Zaadhandel Van der Wal uit Hoogeveen zijn ze gewoon te koop. Bovendien heeft het bedrijf ook een leuke variant van de mosterdspinazie in het assortiment: paarse mosterdspinazie.

Wil je eens proberen om deze bijzondere mosterd op te kweken dan kun je hier de zaadjes bestellen.

Mosterd en Blaaskanker

Blaaskanker is een kankersoort, die veel voorkomt en ook nog eens een grote kans op recidive heeft. Er bestaat dus een grote behoefte aan middelen die in staat zijn om die kanker te remmen in hun ontwikkeling en om de kans op herhaling te verminderen.

De vluchtige verbinding allylisothiocyanaat is het stofje dat verantwoordelijk is voor de pittige smaak van mosterd. Het ontstaat pas wanneer het zaad gekneusd, vermalen of verteerd wordt. Van mosterd worden nogal wat gezondheidsvoordelen gemeld en dus zal het geen verbazing wekken dat onderzoekers maar eens gekeken hebben welk effect die allylisothiocyanaat op het menselijk lichaam heeft.
[Foto: womensera2008.blogspot.nl]
Wetenschappers[1] hebben in eerste instantie onderzoek in vitro gedaan en het bleek dat allylisothiocyanaat in staat was om de verdere celdeling (mitosis) van de blaaskanker tegen te gaan en leidde tot celdood (apoptosis). Verheugd over deze resultaten besloten diezelfde onderzoekers het onderzoek in vivo voort te zetten op ratten. De ontwikkeling van blaaskanker in ratten lijkt zeer veel op die van de mens. Ook de resultaten van dat onderzoek leverde zeer indrukwekkende resultaten op. Bovendien werd duidelijk dat allylisothiocyanaat op een natuurlijke manier in de blaas terecht kan komen en daar zijn positieve effecten heeft.

De conclusie was dan ook dat allylisothiocyanaat uit mosterd een potent middel kan worden tegen (de voorkoming van) blaaskanker.

[1] Bhattacharya et al: Inhibition of bladder cancer development by allyl isothiocyanate in Carcinogenisis - 2010

Een bijzondere mosterdplant: Grijze mosterd

Mosterdplanten worden in een aantal gevallen vernoemd naar de kleur van hun zaadjes. We kennen daardoor de witte (of gele) mosterd (Sinapis alba) en de zwarte mosterd (Brassica nigra). Een veel onbekendere soort is de grijze mosterd (Hirschfeldia incana). Zoals te verwachten was heeft de grijze mosterd geen grijze zaden, maar ietwat ovale bruine zaden. Zijn naam heeft hij te danken aan het feit dat de onderste bladen zijn grijs behaard zijn.

Het is de enige soort binnen de familie Hirschfeldia en dus zal hij zich behoorlijk eenzaam moeten voelen. Een troost is natuurlijk dat deze soort zeer sterke familiebanden heeft met zowel Brassica als Sinapis.
[Foto: Javier martin]
Deze mosterdplant lijkt qua uiterlijk zeer veel op de zwarte mosterd, maar is in het algemeen ietsjes kleiner. De steel en bladeren zijn voorzien van zachte witte haartjes.

In sommige delen van Griekenland wordt de jonge plant traditioneel met wat olijfolie en citroensap rauw als salade gegeten. Van de zaden kan mosterd gemaakt worden, al levert het een maar matige kwaliteit op.

Mosterd en Mierik

Wat zouden mosterd en mierikswortel meer gemeen hebben dan dat ze allebei behoorlijk pittig van smaak kunnen zijn? Mosterd wordt gemaakt van de zaadjes van diverse soorten mosterdplanten, terwijl van mierik de witte penwortel wordt gebruikt voor een soms behoorlijk pittige mierikswortelsaus.

Mosterd (diverse soorten Brassica en Sinapis) en mierik (Armoracia rusticana) zijn familie van elkaar want de geslachten Brassica, Sinapis en Armoracia behoren allemaal tot de grote familie de Kruisbloemen (Brassicaceae).

De oorsprong van het Nederlandse woord ‘mierik’ (en die van het Duitse ‘Meerrettich’) kunnen we herleiden tot ‘meer’ en ‘radic’ (radijs). Waarbij ‘radic’ weer afkomstig is uit het Latijnse radix ('wortel'). Je hebt bij een mierikswortel dus eigenlijk ‘meer wortel’ ten opzichte van een radijs.
[Foto: Frank Vincentz]
In ons land is de mierikswortel ten onrechte niet zo heel geliefd, maar in ons omringende landen als Groot-Brittannie (als horseradish) en Duitsland (als Meerrettich) is het een geliefde toevoeging bij allerhande gerechten. De geraspte mierikswortel smaakt een beetje naar radijs met een scherpe, maar wat lege smaak.

De mierikswortel zelfs heeft nauwelijks een aroma, maar verstopt in de cellen van de wortel zit, net als in de mosterdzaadjes, het glucosinolaat sinigrine. Wanneer de cellen door malen, snijden of raspen beschadigd raken komt de sinigrine in contact met het enzym myrosinase en wordt de vluchtige verbinding allylisothiocyanaat gevormd. Die verbinding geeft mosterd en mierikswortel zijn karakteristieke geur en smaak. Het is een slimme manier van chemische oorlogsvoering van mosterd en mierik om zich te beschermen tegen de vraatzucht van planteneters.

Wij mensen zijn eigenlijk de enige diersoort die geleerd heeft te genieten van de pittige smaak van mosterd en mierik.

Waar haalde Abraham de mosterd?

Een aloude uitdrukking luidt: hij weet waar Abraham de mosterd haalt. In het algemeen wordt daarmee bedoeld dat iemand snapt hoe hij zich in een bepaalde situatie moet gedragen of weet hoe de zaken in elkaar zitten. Met een knipoog uitgesproken wordt met die uitdrukking vaak de omgang met de andere sekse bedoeld.

Om de oorsprong van deze zegswijze vinden moeten we ver de geschiedenis induiken. In het Oude Testament wordt in het boek Genesis, onder 22-6, beschreven dat Abraham zijn zoon Isaak moest offeren boven een vuur. Oude vertalingen verhalen dat hij 'mutsaards' verzamelde en dit op de schouders van zijn zoon legde. Mutsaard is een oud en vergeten woord voor ‘takkenbos’ en in het verlengde daarvan ‘brandstapel. Dat woord nu is in de loop van de tijd vervormd tot ‘mostaard’ wat uiteindelijk ‘mosterd’ is geworden omdat we de betekenis van het woord ‘mutsaard’ zijn verloren.
Het grappige is daardoor dat de uitdrukking probeert te verklaren dat iemand een bepaalde kennis bezit, terwijl de verklaring juist tegendraads is geworden omdat we de betekenis van een woord zijn vergeten.

Maar of het nu mosterd of mutsaard was, voor zijn zoon Isaak maakte het niet zoveel uit. Of hij nu op de brandstapel terecht kwam of in de kookpot, terwijl hij ingesmeerd was met mosterd, het feit blijft dat hij pas op het allerlaatste moment werd gered.

Biologische oorlogsvoering van de mosterdplant

Al eerder was op deze site hier beschreven dat chilipepers hun pittigheid hadden verkregen als een vorm van biologische oorlogvoering tegen allerhande vraatzuchtige planteneters en ziekteverwekkers als bacteriën en virussen. Alleen vogels hebben geen last van de capsaïcine en wanneer de bessen - want botanisch gezien zijn chilipepers bessen - rijp genoeg zijn, zullen het de vogels zijn die de bessen oppeuzelen en vervolgens de zaden zullen verspreiden.
[Foto: Thomas Mitchell-Olds]
De natuur is vindingrijk, maar soms wordt door een plant een gelijksoortige oplossing verzonnen voor hetzelfde probleem. Amerikaanse onderzoekers[1] bestudeerden twee populaties van de Boechera stricta, een lid van de mosterdfamilie, die groeiden in de Rocky Mountains. Beide populaties smaakten pittig, maar op een iets afwijkende manier. En daaruit kan geconcludeerd worden dat mosterdplanten van dezelfde soort soms verschillende pittige stoffen aanmaken om hun doel te bereiken. Toen de onderzoekers mosterdplanten van locatie verwisselden, bleken de verplaatste gevoeliger voor vraat en ziekte te zijn dan de locale varianten.

Het blijkt dus dat mosterdplanten in staat zijn om zich aan te passen aan plaatselijke omstandigheden. De onderzoekers konden vaststellen dat een enkel gen de activiteit van een bepaald enzym beïnvloeden kan en dat enzym kan verschillende variaties van de werkzame stof aanmaken.

Dit botanische kunststukje bewijst maar weer eens dat de natuur veel intelligenter is dan menigeen soms denkt. Bovendien is het tevens een mogelijkheid om middels selectief kweken bepaalde smaakvariaties in mosterdzaadjes en daarmee onze mosterd in te bouwen.

[1] Prasad et al: A gain-of-function polymorphism controlling complex traits and fitness in nature in Science - 1012

Zelf mosterdplanten kweken

Er zijn nogal wat planten waarvan de zaadjes mosterd kunnen opleveren. Natuurlijk hebben we het dan in eerste instantie over de zwarte mosterd (Brassica nigra), de Ethiopische mosterd (Brassica carinata), de sareptamosterd of bruine mosterd (Brassica juncea) en de gele of witte mosterd (Sinapis alba). Maar er bestaan ook wat minder bekende familieleden van deze planten, zoals de herik (Sinapis arvensis) en de grijze mosterd (Hirschfeldia incana), waarvan het zaad ook mosterd van een matige kwaliteit oplevert. Alle mosterdplanten zijn in het bezit van aantrekkelijke bloemen.
[Foto: Max Licher]
Het zou dus een aardig idee kunnen zijn om zelf mosterdplanten in je tuin te gaan planten en, nadat de mosterdzaden geoogst zijn, een poging te wagen om je eigen mosterd te gaan maken.

Voor een tuin hebben mosterdplanten nogal wat voordelen. Landbouwers planten deze planten grootschalig aan om de bodemstructuur van hun landbouwgrond te verbeteren. Mosterdplanten onderdrukken tegelijkertijd de groei van onkruid en het wordt nadien ondergeploegd waardoor het als natuurlijke groenbemester werkt. Verder onderdrukken de penwortels van mosterdplanten bodemschimmels als Rhizoctonia solani en lastige bietencysteaaltjes.

We zullen ons hier beperken tot de gele mosterd. Dat is een hoge, sterk vertakte eenjarige zomerbloeier. Hij bereikt voor een eenjarige opmerkelijke afmetingen en kan tot meer dan een meter hoog reiken. Dat betekent dat je hem in een tuin vaak zult moeten ondersteunen.

Kweken
Het kweken is eenvoudig. Mosterdzaad kan gezaaid worden in het voorjaar (maart, april) en dan bloeit de plant in de zomer (juni, juli, augustus) in een tros met gele bloemen. De vrucht is een zogenaamde hauw en daarin verstoppen zich de piepkleine zaadjes, die gemiddeld zo’n 2 millimeter groot zijn. De oogst vindt in het najaar (augustus, september) plaats.

De eerste stap is om de zaden zes uur in water te weken. Volg vervolgens de zaaihandleiding voor chilipepers, die je eenvoudig hier kunt vinden. Natuurlijk zijn mosterdplanten en chilipepers totaal verschillende planten, maar in principe dien je ze op dezelfde manier te zaaien en te verzorgen.

Kopen
Als je eens een poging wilt wagen dan resteert de vraag waar je die mosterdzaadjes voordelig kunt aanschaffen en het antwoord is: bij de plaatselijke Albert Heijn. In de afdeling voor kruiden en specerijen staat een opvallend plastic busje van Verstegen. Daarin zitten ontelbare mosterdzaadjes verstopt voor een aantrekkelijke prijs.
[Foto: Verstegen]
Deze bijdrage is tot stand gekomen met medewerking van Verstegen Spices & Sauces.